Thomas Becket was een goede vriend en kanselier van de Engelse koning Hendrik II. In 1162 benoemde de koning hem tot aartsbisschop van Canterbury, de belangrijkste kerkelijke functie van het land. Hendrik hoopte zo een bondgenoot binnen de kerk te krijgen. Dat liep anders. Als aartsbisschop verdedigde Becket de rechten van de kerk tegenover de koning, onder meer over de vraag of geestelijken door wereldlijke rechters mochten worden berecht. Het conflict liep zo hoog op dat Becket zes jaar in ballingschap in Frankrijk verbleef.
In 1170 keerde Becket terug naar Canterbury, maar de ruzie was niet bijgelegd. Volgens de overlevering riep de koning uit wie hem van deze lastige priester zou verlossen. Vier ridders vatten dat letterlijk op en vermoordden Becket op 29 december 1170 in de kathedraal. Kort daarna werden er wonderen gemeld en kwamen er pelgrims naar zijn graf. In 1173 werd Becket heilig verklaard. In 1174 deed Hendrik II boete bij het graf, blootsvoets en in een boetekleed. Het graf werd een van de belangrijkste bedevaartsoorden van Europa.


